Participate!
Menu
Delen via:
Home Autisme begrijpen Wat is autisme? Autisme van binnen uit Autisme en verbeelding

Autisme en verbeelding

Autisme en spelen

Kinderen met autisme spelen niet zoals andere kinderen. Ze vertonen echter geen typisch spelgedrag. Er zijn kinderen die geen fantasie of verbeelding hebben en er zijn kinderen die zich zo in een rol inleven dat ze er zich moeilijk van kunnen losmaken. Tussen deze twee uitersten zitten een heleboel variaties.

Precies in het spelgedrag kan je een heel spectrum van autistische problemen zien.  Mensen met autisme hebben een ander voorstellingsvermogen en moeite met betekenisverlening. Om normaal te kunnen spelen met andere kinderen moet je communicatievaardig zijn en de grotendeels abstracte regels van sociaal gedrag begrijpen. Je verbeelding helpt je om de gewone werkelijkheid na te spelen. Samen spelen met andere kinderen is bovendien nog veel moeilijker dan alleen spelen.

Louis zet z'n autootjes op een rij maar
speelt er niet mee.

Gewone kinderen kunnen erg onvoorspelbaar zijn in de ogen van kinderen met autisme. Deze kinderen hebben het moeilijk in de voor hen chaotische wereld. Ze proberen dan ook om orde te scheppen in die overdaad aan prikkels. Zo willen ze dat voorwerpen op een vaste plaats staan: de stoelen netjes onder de tafel, het tapijtje naast de salontafel, een bijzettafeltje onder de tv en zo verder. Die drang noemen wij weerstand tegen verandering, maar voor hen is het een houvast.

Stel je voor hoe moeilijk het moet zijn als kleine kinderen je huis binnendringen en de boel ondersteboven halen! Ze praten ook zo veel, kunnen erg druk zijn en maken allerlei bewegingen die moeilijk te begrijpen zijn voor een kind met autisme. Omdat kinderen met autisme het spel, de taal en de lichaamstaal van gewone kinderen moeilijk begrijpen, verkiezen ze duidelijke activiteiten en voorspelbare dingen boven de omgang met mensen. Dit kan leiden tot gedrag dat op het eerste gezicht storend lijkt.

Verbeelding als essentiële factor

Mensen met autisme hebben moeilijkheden om verder te kijken dan de communicatie, het sociaal gedrag en de symboliek die ze waarnemen. Ze kunnen de diepere betekenis ervan niet begrijpen. Je zou dus kunnen zeggen dat hun essentiële probleem met verbeelding te maken heeft.

Seppe kopieert de tekeningen van zijn zus.
Heel veel details zijn hem niet ontgaan.

Vooral in de fase van het symbolisch spel of doe-alsof spel zie je de moeilijkheden van kinderen met autisme naar boven komen. Sommigen kunnen het leren, maar het gaat niet vanzelf zoals bij gewone kinderen. De letterlijke betekenis moet overstegen worden. Een blokje wordt een auto en papa een paard. De veranda wordt een schooltje en de keukentafel is plotseling een poppenhospitaal... Bij kinderen met autisme doen alsof moeilijk of het is aangeleerd of gekopieerd.

Kinderen met autisme hebben het in deze fase soms moeilijk om fantasie te onderscheiden van realiteit. Dat zijn de kinderen die letterlijk geloven wat ze in sprookjes te horen krijgen of die nadoen wat ze in videofilmpjes gezien hebben. Je kan de verhaaltjes dan ook best aanpassen en realistischer maken. Ook de woordenschat kan aangepast worden aan hun manier van begrijpen.

Sommige kinderen met autisme kunnen meesterlijk imiteren. Ze spelen het spel van andere kinderen tot in het detail na. Of ze imiteren hun juf zo goed dat zij zelf aan het woord lijkt. We mogen hen dus niet te veel stimuleren om allerlei rollen of rollenspelletjes te spelen waar ze nadien nog moeilijk uit raken. Ze zijn soms meesters in het imiteren van zangers of acteurs, maar imiteren is niet hetzelfde als creatief zijn! Waar een verkleedpartij voor gewone kinderen een feest kan zijn, is dat voor kinderen met autisme niet altijd het geval. Vaak is het zelfs zinloos. Eigenlijk zetten wij voortdurend de wereld op zijn kop en dat is nu uitgerekend zo moeilijk voor kinderen met autisme.

Sommige kinderen spelen wel, maar dan met materiaal dat voor hen veel duidelijker is, zoals Lego en Lego Technics. Het volgen van een bouwplan biedt hen houvast. Bovendien wordt de wereld met dit soort speelgoed niet op zijn kop gezet. Andere kinderen zijn urenlang zoet met het lezen van boeken over planeten of dinosaurussen bijvoorbeeld. Dit noemt men stereotiepe interesses, maar op een hoger niveau.

Zij vertellen...

Woutje zet de hele dag stoelen op een rij en Dieter laat de hele dag zijn treintje ronddraaien. Spelen doen ze er niet mee; het blijft een stereotiepe handeling.
Jeroen gaat daarentegen helemaal in allerlei spelletjes op. Maar als hij speelt dat hij een hond is, dan is hij ook een hond en dan bijt hij écht!

Elke probeert telkens weer kranen open en dicht te draaien of deuren open en dicht te slaan, maar met haar blokken heeft ze nooit gespeeld. In een boekje kijken, lijkt haar niet te interesseren, al doet mama nog zo haar best om Elkes nieuwsgierigheid te wekken.

Karel duwt de andere kinderen van hun stoel af zodat hij alles weer keurig op zijn plaats kan zetten.
Liesje knipt de hele tijd de lichten aan en uit. Dat is voor haar veel voorspelbaarder dan die drukke kinderen.

"En moet je die kleine nu nog leren spelen ook? Is hij nog niet verwend genoeg?". Wij kregen het ook vaak te horen... Ons kind ging door voor een spelbreker en daarmee was de kous af.  Niemand begreep dat hij niet kon spelen zoals andere kinderen. En leren spelen zat er ook niet echt in.
Hilde De Clercq

Toen Liesbeth negen jaar oud was, was Thomas bijna zeven. Ze speelden samen.
- Kom Thomas, we gaan een poppenhuis maken.
- Ja, we gaan een poppenhuis maken.
Thomas haalt zijn kussen en zijn deken, niet voor de poppen maar voor zichzelf.  En terwijl zijn zus alles schikt, ligt hij al op de grond op zijn kussen.
- Wacht, even kijken... De veranda, dat is ons huis.
- Ja, ons huis.
- En de kast, dat is de slaapkamer van de poppen.
- Ja, de kast is de slaapkamer.
- En we halen schoendozen, daar moeten ze in slapen.
- Gaan ze daarin slapen? Dat is toch voor de schoenen?
- Ja, maar nu zijn dat de bedjes van de poppen.
- Ja, de bedjes van de poppen.
- De zakdoeken, dat zijn onze lakens en de handdoeken zijn onze dekens.
Thomas gaat intussen naar de keukenla, haalt er een pollepel uit, komt ermee bij zijn zus en zegt:
- En dat, deze pollepel, dat is... onze pollepel!
Hilde De Clercq

Toen Liesbeth worteltjes uit boetseerklei maakte en die aan Thomas toonde, at hij ze gewoon op! Zus Liesbeth leerde hieruit dat ze aan Thomas beter echte dingen kon geven. Ofwel boetseerklei, ofwel een wortel! Ze leerde hem spelen met échte potten en pannen, hij sneed frietjes van échte aardappeltjes en voor Sinterklaas kreeg hij een échte shaker om milkshakes te maken en niet die rare miniatuurspulletjes die je bij de barbiepopjes kan krijgen.
Hilde De Clercq

Thomas interesseerde zich vooral voor trams en bussen. Ik vertelde verhaaltjes over 'Thomasje die met zijn mama op tram 4 gezeten had en die het verkeerslicht rood had zien worden...'. Realistische dingen dus, want verhalen die te veel een beroep deden op zijn verbeelding waren veel te moeilijk voor hem. Het belangrijkste voor ons was dat hij er op die manier bij hoorde, dat hij net zoals de andere kinderen een vertelmomentje had. Maar dan zonder dat het leven er nog ingewikkelder door werd. Want dat gebeurde soms. Zoals toen hij op een dag bij de groenteboer naar de rode appels keek en vroeg of er vergif in zat. Dat was immers de conclusie die hij uit het sprookje van Sneeuwwitje had getrokken: in rode appels zit vergif.
Hilde De Clercq