Participate!
Menu
Delen via:
Home Autisme begrijpen Wat is autisme? Kenmerken autisme Een paar belangrijke opmerkingen

Een paar belangrijke opmerkingen

Seppe loopt heen en weer, hij wacht tot de andere
kinderen weg zijn.

Het feit dat de sociale vaardigheden en communicatie gestoord zijn, wil niet zeggen dat ze ontbreken. Het is de kwaliteit van het sociaal contact die aangetast is en parallel daarmee de kwaliteit van de communicatie. Ze zijn dus wel degelijk aanwezig, maar de sociale en communicatieve vaardigheden worden bizar of afwijkend genoemd.

Nemen we bijvoorbeeld oogcontact. Sommige kinderen met autisme kijken hun gesprekspartner niet aan. Andere kinderen doorboren je met hun blik of blijven je star in de ogen kijken. Je kan dus niet zeggen dat er nooit oogcontact is, maar het is wel vreemd. Een ander voorbeeld: om met iemand anders contact te maken, kan je hem aanspreken. Sommige mensen met autisme zullen dat doen door bijvoorbeeld "hoe groot ben je?" te vragen. Je kan dan niet zeggen dat er geen communicatie is, maar ze is wel afwijkend of vreemd.


Delen? Neen, Seppe lust geen chocolade.

Het zijn de bijzondere kenmerken van de sociale relaties en van de communicatie die men zal onderzoeken om te zien of er sprake is van een autismespectrumstoornis.

De problemen situeren zich zowel op expressief vlak, het uiten van dingen, als op receptief vlak, het begrijpen van dingen. Mensen met een autismespectrumstoornis hebben moeite om met anderen in contact te treden of om zich uit te drukken maar ze hebben het eveneens moeilijk om sociale relaties en naar hen gerichte communicatie van anderen te begrijpen. Ze kunnen het moeilijk hebben om bijvoorbeeld een hand uit te steken om hulp te vragen bij het rechtkomen als om hetzelfde gebaar met dezelfde intentie van hun moeder of vader te begrijpen. Deze moeite om te begrijpen betreft zowel de gevoelens van anderen als hun eigen emoties, gedachten en bedoelingen.

Tenslotte nog dit: ook al zijn de interesses beperkt, toch kunnen ze van de ene persoon tot de andere erg verschillen, zowel voor wat betreft de motorische stereotypieën als voor de routines of de meer cognitieve interesses. Bovendien kunnen de interesses in de loop van de tijd veranderen. Zo kan iemand die als kind motorische stereotypieën vertoonde (zoals fladderen met de handen) op latere leeftijd naar meer cognitieve interessses evolueren (bijvoorbeeld een passie voor het weerbericht).