Participate!
Menu
Delen via:
Home Autisme begrijpen Wat is autisme? Theorieën over autisme 'Theory of mind'-hypothese

'Theory of mind'-hypothese

Baron-Cohen, Leslie en Frith breidden de almaar groeiende literatuur over de 'theory of mind' bij kinderen met een normale ontwikkeling uit naar autisme en toonden bij kinderen met deze handicap een verstoord begrijpen van de mentale wereld aan.

Deze theorie gaat uit van de veronderstelling dat mentale toestanden (mental states) niet onmiddellijk observeerbaar zijn, maar dat ze dienen afgeleid te worden. Deze afleiding vereist een complex cognitief mechanisme. De bekwaamheid om mentale toestanden - zoals intenties, wensen, opvattingen, kennis enz. - toe te schrijven aan zichzelf en anderen wordt 'theory of mind' genoemd. Men ging er van uit dat deze bekwaamheid bij mensen met autisme verstoord is.

Factoren pro

    Overgenomen uit Uta Frith, 2005


Er is heel wat empirisch onderzoek voorhanden dat deze theorie ondersteunt. Vaak maakt men hierbij gebruik van een eerste-orde 'false belief' taak, die voor kinderen van 4 à 5 jaar oud normaal geen probleem mag opleveren. Hierbij gaat men na of iemand begrijpt dat iemand anders een verkeerde opvatting kan hebben over de realiteit, zoals in het welbekende Sally en Anne-experiment. In deze proef worden twee poppen getoond alsook een mand en een doos. Sally stopt een knikker in de mand terwijl Anne hierop toekijkt en gaat dan even wandelen. Ondertussen neemt Anne de knikker en stopt hem in de doos. Aan het kind wordt dan gevraagd waar Sally bij haar terugkomst de knikker zal gaan zoeken. Kinderen die een 'theory of mind'hebben, beseffen dat Sally niet in de doos zal kijken. Sally kan immers niet weten dat de knikker werd verplaatst. Kinderen die nog geen 'theory of mind'hebben, zeggen dat de knikker in de doos zit. Dit is het beeld dat ze zelf hebben.Tachtig procent van de kinderen met autisme faalde op deze taak. De overige 20% slaagde niet in een complexere tweede-orde 'false belief' taak, die voor normale 7-jarigen geen probleem vormt.

Bij een tweede-orde 'false belief' taak dient men te begrijpen dat iemand anders een verkeerde opvatting heeft over de informatie die nog iemand anders heeft. Om dit te testen, vertelt men bijvoorbeeld het volgende verhaaltje: John en Mary zien een ijskar in het park. John en Mary wandelen weg. Later vertelt men aan John en Mary dat de ijskar niet langer in het park staat maar nu aan de kerk staat. Geen van beiden weet dat de ander deze informatie heeft gekregen. Vervolgens worden vragen gesteld zoals "Waar denkt Mary dat John een ijsje is gaan kopen?"

De verstoorde ontwikkeling van deze bekwaamheid zou een verklaring bieden voor de problemen die kinderen met autisme vertonen op het vlak van perspectiefneming, pragmatiek, empathie en andere aspecten van de sociale ontwikkeling en het sociaal functioneren.

Deze cognitieve hypothese leek op het eerste zicht vrij aannemelijk; haar aanhangers gingen ervan uit dat ze universeel en specifiek is voor het syndroom en dat ze een begrijpbaar mechanisme aanreikt dat een verklaring biedt voor de belangrijkste secundaire symptomen van personen met autisme. Niettegenstaande het feit dat deze psychologische theorie ons inderdaad heel wat inzichten heeft verstrekt, is enige nuancering toch aangewezen. In toenemende mate werden door tegenstanders immers een aantal bezwaren geformuleerd, waarvan we de belangrijkste kort toelichten.

Factoren contra

Een eerste bezwaar heeft te maken met het feit dat het 'theory of mind' tekort geen verklaring kan bieden voor de sociaal-pragmatische tekorten die door ouders worden gerapporteerd bij deze kinderen vóór de leeftijd van 3 jaar en/of bij kinderen die functioneren op een ontwikkelingsniveau dat lager is dan datgene waarop het sociaal-cognitief begrijpen normaal manifest wordt. Er is dan ook groeiende wetenschappelijke belangstelling voor vroege 'voorlopers' van deze bekwaamheid tot het begrijpen van mentale toestanden. Hierbij gaat de aandacht vooral naar gedeelde aandacht en imitatie.


Een ander bezwaar heeft te maken met de universaliteit van het tekort. In de loop der jaren zijn er studies gepubliceerd waarin het slaagpercentage op eerste-orde 'false belief' taken varieert van 38 tot 90 %. Maar bij normaal begaafde kinderen worden ook bij tweede-orde taken slaagpercentages tot 60 % gerapporteerd. De prestaties bleken gerelateerd aan zowel de chronologische als de verbale mentale leeftijd van de kinderen. Sommige volwassenen slaagden zelfs in nog complexere 'theory of mind'- of perspectiefnemingstaken. Het is niet duidelijk of deze 'geslaagden' een alternatieve strategie gebruiken om deze taken op te lossen. Maar de bevinding dat er personen met autisme zijn die slagen op 'theory of mind' taken, en toch ernstige sociaal-communicatieve problemen vertonen, wijst erop dat ook deze theorie haar beperkingen heeft, wat ook wordt bevestigd door de rapportering van 'theory of mind' problemen bij mensen met een andere handicap of stoornis, zoals doofheid, verstandelijke beperking of schizofrenie. Bovendien biedt de theorie weinig verklaringen voor de rigiditeit en de stereotiepe gedragingen die deel uitmaken van de symptomatologie van autisme.

Men is dan ook stilaan het onderzoeksterrein voor een stuk gaan verleggen naar meer globale cognitieve eigenaardigheden: de tekorten op het vlak van executieve functies en de gebrekkige centrale coherentie.